Personeelstekort, piekdrukte, verzuim of een groot evenement: in de horeca is flexibiliteit onmisbaar. Veel ondernemers werken daarom met zelfstandigen. Die inzet kan nog steeds, maar vanaf 2027 wordt het nog belangrijker om niet alleen te kijken naar de vraag óf iemand als ZZP’er werkt, maar ook naar het uurtarief. Rekent een zelfstandige minder dan € 38 per uur? Dan kan diegene straks eenvoudiger stellen dat hij of zij eigenlijk in loondienst werkt. In dit artikel lees je alles over het nieuwe rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst op basis van een laag uurtarief.
Horecaondernemers werken veel met flexibele inzet. Ondernemers hebben vaak snel mensen nodig voor drukke avonden, evenementen, vakanties of onverwachte uitval. ZZP’ers bieden daarin vaak uitkomst, maar juist daar ligt schijnzelfstandigheid op de loer. Dat komt doordat ZZP’ers in de praktijk regelmatig meedraaien in het rooster, dezelfde werkzaamheden doen als personeel in loondienst en instructies krijgen van de leidinggevende op de vloer. En dat kan horecaondernemers duur komen te staan. Denk aan naheffingen, boetes of claims van ZZP’ers die achteraf stellen dat zij eigenlijk in loondienst werkten.
Sinds 2025 handhaaft de Belastingdienst weer op schijnzelfstandigheid. Daar komt nu een nieuw juridisch instrument bij: het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst op basis van een laag uurtarief. De Eerste Kamer heeft het wetsvoorstel op 16 juni 2026 aangenomen. Bij een rechtsvermoeden gaat de wet voorlopig ergens van uit, tenzij het tegendeel wordt bewezen. De impact hiervan is heel praktisch: werkt de zelfstandige voor minder dan € 38 per uur, dan kan diegene stellen dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Deze nieuwe wetgeving legt de bewijslast bij de opdrachtgever. Normaal geldt, wie iets stelt, moet het bewijzen. Bij dit rechtsvermoeden draait dat dus om. Voorheen moest de ZZP’er bewijzen dat hij of zij eigenlijk in dienst was, nu is het juist aan de opdrachtgever om te bewijzen dat er géén sprake is van een dienstverband.
Daarmee introduceert de wet geen minimumtarief van € 38 per uur voor ZZP’ers. Een ZZP’er mag nog steeds een lager tarief rekenen, maar onder die grens wordt het wel makkelijker voor de ZZP’er om een dienstverband te claimen. ZZP-inhuur wordt dus niet verboden, maar het risico wordt wel een stuk groter. Zeker in de horeca, waar zelfstandigen in de praktijk vaak dicht tegen het gewone werkproces aan zitten.
Het rechtsvermoeden komt voort uit de bredere discussie over ZZP en schijnzelfstandigheid. Eerder werkte het kabinet aan het wetsvoorstel VBAR. Dat voorstel bestond uit twee onderdelen: criteria om te bepalen wanneer iemand werknemer of zelfstandige is, en het rechtsvermoeden bij een laag uurtarief.
Het criteriadeel van de VBAR is (voorlopig) geschrapt. Alleen het rechtsvermoeden rond het uurtarief is doorgezet. De verwachting is dat de bredere criteria later terugkomen in de Zelfstandigenwet. Die wet moet meer duidelijkheid geven over wanneer iemand echt zelfstandig werkt en wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Ondernemers die met ZZP’ers werken, doen er goed aan hun flexibele schil opnieuw te bekijken. Welke ZZP’ers zet je in? Tegen welk tarief? En voor welke werkzaamheden? Let vooral op ZZP’ers die structureel worden ingepland, hetzelfde werk doen als personeel in loondienst of weinig vrijheid hebben in de uitvoering van hun werk. Leg afspraken goed vast en controleer of de praktijk aansluit op wat er op papier staat. Bij twijfel kan een andere vorm van flexibele inzet passender zijn, zoals loondienst, een oproepcontract, uitzenden, detacheren of payroll.