Foto Mark H. Anbinder

Bruikleenproblematiek

Eerder heb ik al eens uitgebreid stilgestaan bij de problemen die ontstaan door de bruikleenafspraken die de brouwerijen in het verleden met elkaar hebben gemaakt. In het kort nog even een uiteenzetting hiervan. De afspraak tussen de landelijke brouwerijen betreffende de overname van de in bruikleen verstrekte tapinstallaties stond bekend als het ‘claimverkeer’.  Hoe zag die afspraak eruit? Na overname van de leveranties door de ene brouwerij kon de andere (verliezende)  brouwerij gedurende een jaar lang de bruikleenwaarde ‘claimen’. Echter, ongeacht de leeftijd of de dagwaarde van de installatie werd onderling altijd de nieuwwaarde berekend. De klant zou er geen last van hebben, want de kosten waren immers toch voor de brouwerij. Maar op de bruikleenovereenkomst van de nieuwe brouwerij werd wel de betaalde nieuwwaarde opgevoerd, en niet de dagwaarde of de afgeschreven waarde. Een eventuele overname van de installatie door de ondernemer zelf werd daardoor een stuk minder aantrekkelijk. De afschrijvingswaarde uit het verleden ‘verdampte’ door ondertekening van het nieuwe bruikleencontract. Het financiële obstakel van de hoge bruikleenwaarde stond een overname door de ondernemer in de weg. Er ging dus een brouwerijbindende werking van uit.

Inmiddels zit er beweging in de situatie. Heineken heeft zich volledig teruggetrokken uit het claimverkeer, en hanteert nu een eigen werkwijze.  Daarbij worden de bruikleenafspraken alleen nog met de klant gemaakt. Enkel de klant kan de bruikleeninstallatie nog van Heineken overnemen tegen een vooraf berekende afschrijvingswaarde.  Op de website van de Heineken Groothandel wordt deze nieuwe regeling duidelijk weergegeven.‘Mooi!’ zou je zeggen, en inderdaad is dit een stuk transparanter en dus een verbetering. Maar, omdat de andere brouwerijen (nog) niet meedoen, is er een erg onduidelijke situatie ontstaan. Zelfs de vertegenwoordigers van de brouwerijen weten vaak niet meer hoe nu om te gaan met de materie. Hieronder een schets van de problematiek.

Stel Heineken is de ‘verliezende’ brouwerij, wie neemt dan de bruikleeninstallatie van Heineken over? De klant of de nieuwe brouwerij? En welke prijs wordt er dan voor betaald; de afgeschreven waarde of nog steeds de nieuwwaarde? En welke prijs komt er dan uiteindelijk te staan op de nieuwe bruikleenovereenkomst; de afgeschreven waarde of toch weer de nieuwwaarde?

Stel Heineken is de ‘winnende’ brouwerij en neemt de leveranties over van een andere brouwer. Hoe werkt het dan? Heineken is immers teruggetreden als deelnemer aan het claimverkeer, en praat dus feitelijk niet meer met de andere brouwers. Moet de ondernemer dan de nieuwwaarde betalen, zoals die volgens het claimverkeer op de bruikleenovereenkomst staat vermeld? Of wordt in dat geval de installatie toch door Heineken betaald? Of moet de installatie zelfs verwijderd worden door de ‘oude’ brouwerij? En zo ja, wie betaalt daarvoor dan de kosten? En als de dagwaarde wordt berekend; wie bepaald die dagwaarde dan?

Kortom, het is allemaal nog steeds een erg onduidelijk. Op dit moment wordt een en ander veelal per klant individueel opgelost. Onnodig. Het wordt tijd, dat de brouwerijen samen tot een werkbare en eerlijke afspraak komen. Een vast afschrijvingsmodel, waarbij altijd de afgeschreven waarde op de bruikleenovereenkomst komt te staan. Er kan dan nooit onduidelijkheid bestaan over de waarde; niet als de brouwerij het overneemt, en niet als de klant dit zelf doet. Simpel en doeltreffend.

En dan nog dit. Door een grote inkoop van de taptechniek genieten de brouwers van hele scherpe prijzen. Het zou eerlijk zijn als deze scherpe prijzen ook op de bruikleencontracten verschijnen, en dus niet de veel hogere bedragen zoals we die nu vaak zien!

Reacties

Reactie toevoegen